• Dit is versie 2014-02

Achtergrond en aanleiding
Het concept van LOD voor Bouwwerk Informatie Modellen heeft de laatste jaren in Nederland een vlucht genomen. Er wordt steeds vaker en steeds heftiger gediscussieerd over LOD. Alleen al de discussie of de afkorting staat voor Level of Detail, of Level of Development neemt behoorlijk veel tijd in beslag van menig BIM modelleur.

 LOD:
De LOD term is voor het eerste gebruikt door VICO. Toen stond de afkorting voor Level Of Detail van een BIM model. Toen het door de Amercian Institute of Arhitects is geadopteerd (door het projectteam wat zich bezig hield met Integrated Project Delivery IPD) is het hernoemd naar Level of Development. LOD definieert 5 niveaus van ‘development’ in een BIM model tijdens een IPD project. De 5 niveaus zijn LOD100, tot LOD500 genoemd. Helaas is er geen formele definitie van de niveaus maar zijn slechts een aantal voorbeeld plaatjes gegeven.

Grootste probleem in de LODn00 toepassing, is dat er geen eenduidige en heldere definitie is van de informatie die aanwezig moet zijn in een model wat een bepaald LOD niveau representeert. Toch wordt de term LODn00 in de Nederlandse praktijk steeds vaker gebruikt. Dit levert diverse problemen op die zijn samen te vatten in de volgende categorieën:

• Onduidelijk of er voldoende informatie in een model aanwezig is voor een projectpartner om z’n werk te doen;
• Veel details waardoor partners denken dat het project al in een vergevorderd stadium zit en te gedetailleerd gemodelleerd wordt;
• Partijen die vinden dat het model nog onvoldoende informatie bevat.
Het belangrijkste technische probleem is dat er geen duidelijke definitie is wat voor informatie aanwezig moet zijn in een LODn00 BIM model. Daarom heeft ook de Rijksgebouwendienst de term LOD uit haar BIM norm geschrapt.

Voorbeelden waar het in de praktijk fout gaat:
1) Een bouwfysisch adviseur die vraagt om een LOD300 model omdat daar pas het informatieniveaus in aanwezig is waarmee hij zijn werk kan doen (bijv. Een analyse van het Energieverbruik). Omdat niet duidelijk is wat een LOD300 is blijft er een discussie ontstaan tussen de leverende partij (bijv. De architect) en de ontvangende partij. Dit kan maanden duren en het proces frustreren. Maar zelfs als de partijen het eens zijn dat een model gekwalificeerd kan worden als LOD300, dan nog weten ze beiden niet of er ook daadwerkelijk de informatie in zit die nodig is voor (in dit voorbeeld) een energieverbruik analyse.
2) Een architect stuurt een model naar de installatieadviseur. Dit model is zeer gedetailleerd omdat de architect veel gebruik maakt van objectbibliotheken in zijn/haar BIM software. De installatieadviseur modelleert daarom zeer gedetailleerd de installaties (MEP) en stuurt zijn gedetailleerde model terug naar de architect. Na een tijdje krijgt de installatieadviseur een nieuwe revisie van de architect waar het gebouw een verdieping minder en een extra vleugel heeft. Hij herhaalt zijn gedetailleerde modellering en stuurt zijn informatie weer terug. Dit gebeurt enkele malen en het kan zelfs voorkomen dat de architect alweer een compleet nieuw ontwerp stuurt terwijl de installatieadviseur nog bezig is met het uitwerken van de vorige versie. Uiteindelijk blijkt dat het model van de architect zich nog maar in een vrij vroeg ontwerpstadium bevindt. Van de installatieadviseur werd dus niet veel meer verwacht dan een grove schets voor ruimte reserveringen. Het communiceren over LOD zou dus vooral moeten gaan over communiceren van status en betrouwbaarheid van informatie.
3) In een contract staat dat een partij een LOD400 levert. Omdat niet duidelijk is wat voor informatie er in een LOD400 zou moeten zitten ontstaat hier discussie over. De vragende partij (opdrachtgever) blijft maar meer informatie en details eisen in het model. De modelleur besteed hierdoor veel extra tijd in het toevoegen van informatie en details in het model. Er zijn al diverse voorbeelden bekend van kleinere modelleer bureaus die zware projectverliezen leiden omdat niet duidelijk is afgesproken wat met verstaat onder een LODn00 model.

Een eenduidige en heldere definitie van niveaus van een BIM is het belangrijk om vast te leggen:
– waarvoor het model gebruikt kan worden (toepassing);
– welke informatie/data in het model definitief is/zijn;
– welk niveau van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid het model (of onderdelen ervan) heeft.

Project- of bedrijfsspecifieke oplossingen
Door het gebruik aan eenduidigheid zijn diverse bedrijven en projecten aan de slag gegaan om hier helderheid in te verkrijgen. Zowel in Nederland als in andere landen zijn diverse ‘demarcatielijsten’ of ‘standaard’ ‘model element tabellen’ gemaakt. Wat in feite in een generieke standaard gedefinieerd zou moeten worden verschuift nu naar project of bedrijfsniveau waardoor er nog steeds geen standaard is. Vaak wordt daarin ook opgenomen wat de status van de informatie is.
Ook worden steeds vaker tussenliggende niveaus gedefinieerd omdat bijvoorbeeld een LOD300 te weinig, en een LOD400 te veel informatie zou bevatten. De Nederlandse praktijk ervaart een tussenmoment om een Go/No-Go beslissing te nemen als noodzakelijk.

Dit initiatief “Nederlandse BIM informatieniveaus” is een aanzet om de standaardisatie van de niveaus terug te brengen op landelijk niveaus in plaats van project- of bedrijfsniveau.
Door dit vast te leggen kan een opdrachtgever duidelijk maken wat men verwacht van ‘BIM’ in een project; is duidelijk welke informatie in een model aanwezig is; hoeveel tijd/werk het kost om een model op een bepaald informatieniveau te modelleren; hoe betrouwbaar de informatie is in het model.

Uitgangspunten
Uitgangspunt voor de toepassing en ontwikkeling van de Nederlandse BIM informatieniveaus is vertrouwen en betrouwbaarheid. Elke projectpartner moet erop kunnen vertrouwen dat er voldoende informatie in een model aanwezig is om bepaalde taken uit te voeren. Een model op een bepaald niveau ‘is bruikbaar voor’ een bepaalde toepassing. Zowel de sturende (modelleur) als de ontvangende (gebruiker) partij moeten daarop kunnen vertrouwen.

Fasering
In elk project worden bepaalde taken uitgevoerd met de informatie uit een BIM. Verschillende taken zoals kostencalculatie, energy analyses, controleren aan PvE worden in verschillende fases van een project herhaalt. De betrouwbaarheid van de informatie wordt gedurende een project steeds groter waardoor de uitkomsten van de analyses ook steeds nauwkeuriger worden. Er zijn ook taken die specifiek worden uitgevoerd in een bepaalde fase van een project. Denk hierbij aan toetsen van welstand, toetsen aan bouwbesluit, aanbesteding, contractvorming, bouwplaatsaansturing, facility management, enz.. Elk bouwproject kent een natuurlijke fasering. Er is veel discussie of deze fasering veranderd door gebruik van BIM, maar dit blijkt in de praktijk erg mee te vallen. Een fasering is ontstaan omdat er momenten zijn waarop Go/No-Go beslissingen genomen moeten worden op basis van de op dat moment beschikbare informatie. Deze Go/No-Go momenten (b)lijken niet te veranderen onder invloed van BIM.
Om effectief gebruik te maken van BIM informatieniveaus is het nuttig (zo niet noodzakelijk) om deze te relateren aan de fasering van een gemiddeld bouwproces. Daarom zijn de Go/No-Go momenten in een bouwproces geanalyseerd. Verschillende bedrijven, disciplines en projecten geven bepaalde fases andere namen, maar grofweg gezien zijn de Go/No-Go punten redelijk gelijk.
Uiteindelijk zijn er 7 informatieniveaus ontstaan (0 t/m 6) die een relatie hebben met de Go/No-Go momenten (en daarmee inherent dus aan een project fasering). De niveaus zijn echter niet direct gekoppeld aan fasering en kunnen onafhankelijk van een procesfasering worden toegepast.. Hierover later meer.

Niveaus
De 7 informatie niveaus zijn hier beschreven. Kern van de niveaus is de regel ‘Model is bruikbaar voor’. Een grove schets van welke informatie daarvoor aanwezig moet zijn in het model is te vinden in de regel ‘deliverables’ (informatie die nodig is in een model van dit niveau). Deze niveaus zijn zonder de specificatie van informatie niets meer dan een vervanging van de LOD plaatjes. 

De specificatie (de matrix)
De specificatie (ook wel ‘de matrix’ genoemd) geeft per informatieniveaus een overzicht van objecten en eigenschappen die per niveau aanwezig moeten zijn als een project deze informatie vastlegt. Als er in een project bijvoorbeeld geen ‘prefab beton wand’ wordt gebruikt zal deze uiteraard niet in een model te worden toegevoegd. Als dit wel het geval is, geeft de specificatie aan op welk niveau dit soort wanden moeten worden gemodelleerd, en met welke eigenschappen.
Elk object en eigenschap is aan de specificatie toegevoegd met de vraag ‘welke informatie moet in een model zitten voor de toepassingen op dit niveau’ in gedachten.
De objecten en eigenschappen in de matrix zijn gerangschikt volgende de NlSfb codering. Er is een kolom ‘units’ voor elke eigenschap. Sporadisch is hier iets ingevuld. De praktijk moet uitwijzen of units onderdeel moeten zijn van de nationale specificatie van eigenschappen per niveau, of dat het niet in de specificatie zou moeten worden vastgelegd.

Position statement
De BIM informatieniveaus definiëren de informatie die in een BIM model aanwezig moet zijn voor Go/No-Go momenten in een bouwproces.
Het gaat hierbij vooral om de betrouwbaarheid van het model en de informatie.
De gedetailleerdheid van de geometrie is in de praktijk geen probleem gebleken voor effectieve informatie uitwisseling dus de informatieniveaus richting zich vooral op objecten en eigenschappen (nuancering: sommige benodigde eigenschappen worden in een model vastgelegd met geometrie).

Een model kan meer informatie bevatten dan noodzakelijk voor het informatieniveau waarop het is gekwalificeerd. Een zeer gedetailleerd model kan dus nog steeds ‘slechts’ gekwalificeerd zijn als BIM informatieniveau 2. Het gaat immers om de betrouwbaarheid van de informatie, niet om de informatie rijkheid.
In de praktijk bestaat er waarschijnlijk ook niet zoiets als “een model op niveau x”. Een model bestaat uit verschillende onderdelen waarvan elk onderdeel gekwalificeerd is op een bepaald niveau. Zie hiervoor ook het onderdeel ‘toepassing’ van de projecttemplate hieronder.

Toepassing
Voor toepassing in de praktijk is een zogenaamde ‘project template’ noodzakelijk. In deze template wordt voorafgaand aan een projectfase door de project partners vastgelegd welke informatie opgeleverd zal worden op welk BIM informatieniveau.
Deze project template kan worden ingevuld in een tekst document of spreadsheet, maar is ook onderdeel van de BIM protocol generator (www.bimprotocolgenerator.com)

Belangrijk om te beseffen is dus dat de fasering van een project en de opdeling van de informatiedelen van een BIM model door het project team vrij te kiezen zijn. Tijdens de bepaling van de informatieniveaus is goed gekeken naar gemiddelde procesfasering. In een regulier project zou er dus een sterke overeenkomst moeten zijn tussen de fasering en de informatieniveaus.

Do’s en don’ts in de toepassing
– Ga met het projectteam om tafel om samen te bepalen wat je verwacht als oplevering na een fase;
– Ga geen tussenliggende informatieniveaus definieren. De project template geeft voldoende vrijheid om je project behoeften te definiëren.
– Als je vanuit een contract verwijst naar de specificatie van de BIM informatieniveaus, zet er dan altijd het versienummer bij. De definitie kan in de loop der tijden veranderen.
Voorbeelden

Wat nog beter moet
De specificatie van de Nederlandse BIM informatieniveaus is een eerste aanzet. De initiatiefnemers zijn zich ervan bewust dat een aantal aspecten van dit initiatief nog extra aandacht nodig hebben. Bijvoorbeeld:

• De specificatie van de installaties is nog erg onderbelicht. Hiervoor roepen we installatietechnische bedrijven en installateurs op om een bijdrage te leveren.
• Een aantal niveaus, waaronder vooral niveau 0 (PvE) en 6 (facility management) zijn onvoldoende gevalideerd. Tijdens de uitwerking van dit initiatief zijn opdrachtgevers slechts sporadisch betrokken geweest.
• De Nederlandse BIM informatieniveaus zijn nu vooral gericht op informatie (objecten en eigenschappen). Om succesvol uit te wisselen dient er ook aandacht te zijn voor modelleerafspraken. Dit dient per niveau en per object te worden vastgelegd. Op dit moment zijn slechts globale modelleerafspraken per niveau vastgelegd.
De huidige versie van de Nederlandse BIM informatieniveaus is dus vooral een aanzet voor vervolg en uitbreiding in en door de praktijk.

Toekomstige uitbreidingen
Tijdens de ontwikkeling van de BIM Informatieniveaus is sterkt rekening gehouden met toekomstige uitbreidingen en aansluitingen op andere initiatieven. Zo is voor het projecttemplate aansluiting gezocht met de BIM Protocol generator. Ook voor toekomstig mogelijke aansluiting met de volgende initiatieven zijn maatregelen genomen:
• De BuildingSMART Data Dictionary (IFD Library / BSDD): Elk object en eigenschap heeft de mogelijkheid om te refereren naar een BSDD identifier.
• Concepten bibliotheek Nederland (CB-NL): Elk object en eigenschap heeft de mogelijkheid om te refereren naar een CB-NL identifier.
• IfcEquivalent: de definitie van de objecten zoals gestandaardiseerd in het IFC data model. Hier zal begrijpelijk dus vaak gerefereerd worden naar het IfcProxy project.

Verder is er een terugkomende vraag naar geautomatiseerde ‘checkers’ die kunnen bepalen op welk informatieniveau een BIM model zich bevindt. Het is onmogelijk om een dergelijke check te maken omdat de rijkheid van de informatie niks zegt over het niveau waarop een model is gekwalificeerd. Een model kan immers veel rijker van informatie zijn dan het niveau waarop het is ingeschaald. In de praktijk bestaat er waarschijnlijk ook niet zoiets als “een model op niveau x”. Een model bestaat uit verschillende onderdelen waarvan elk onderdeel gekwalificeerd is op een bepaald niveau. Een geautomatiseerde checker is daarom technisch erg lastig.

Dan is er nog de mogelijkheid om de Nederlandse Informatieniveaus vast te leggen als Model View Definition (MVD). Hiervoor is een standaard in ontwikkeling die mvdXML genaamd is. Het gaat hier om een jonge standaard die momenteel niet voldoende mogelijkheden geeft om de complexiteit van de Nederlandse BIM informatieniveaus vast te leggen. In de toekomst zou dit echter wel mogelijk kunnen zijn waardoor modelleurs in hun BIM modelleersoftware kunnen (laten) controleren of een model voldoende informatie bevat.

FAQ:
Vraag: Waarom is er niet gekozen om de LOD niveaus verder uit te werken?
Antwoord: Er zijn al te veel verschillende inzichten wat de LOD niveaus betekenen. In de praktijk blijken deze niveaus ook niet aan te sluiten bij de procesfasering (vandaar de 250, 350, 375 niveaus). Er is door TNO nog gekeken of er misschien een de-facto standaard te vinden was in de LOD modellen, maar dat was niet het geval. Zie hiervoor ook de wetenschappelijke paper over dit project.

Waar of niet waar:
– BIM informatieniveaus en fasering zijn aan elkaar gekoppeld (niet waar).
– Een model met veel details is gekwalificeerd op een hoog BIM informatieniveau (niet waar).
– Als ik een BIM informatieniveau voorschrijf weet ik precies welke informatie ik ga krijgen (wel waar)
– Als ik een BIM informatieniveau voorschrijf krijg ik precies de informatie die ik nodig heb (meestal niet waar)

0 Comments